Direct naar de inhoud
Logo van de Europese Commissie
Public Health

Nieuwsbrief Gezondheid-EU 254 – Focus

Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid blijft zoeken naar betrouwbare alternatieven voor dierproeven

door prof. Vera Rogiers, vicevoorzitter van het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV) en voorzitter van de WCCV-werkgroep Methodologie, Vrije Universiteit Brussel, België

De werkgroep Methodologie van het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid heeft in het Toxicology-nummer van 30 april 2020 een evaluatie gepubliceerd: "The way forward for assessing the human health safety of cosmetics in the EU – Workshop proceedings".

Wat er op dit gebied gebeurt, is een uitvloeisel van de cosmeticarichtlijn, het regelgevingskader voor de geleidelijke afschaffing van dierproeven voor cosmetica. De cosmeticarichtlijn heeft dierproeven volledig in de ban gedaan: het is niet alleen verboden cosmeticaproducten en -ingrediënten te testen op dieren, maar ook om op dieren geteste cosmeticaproducten en -ingrediënten in de EU in de handel te brengen.

Dit is natuurlijk zeer goed nieuws voor dieren en dierenliefhebbers, maar het is ook een hele uitdaging voor de cosmetische industrie en de wetenschappers die ervoor moeten zorgen dat cosmetische producten veilig zijn voor de consument. Het testen op dieren was namelijk een betrouwbare methode om erachter te komen of cosmeticaproducten en -ingrediënten veilig kunnen worden gebruikt. Nu dierproeven niet langer zijn toegestaan, wordt er voortdurend gezocht naar betrouwbare alternatieven zonder dierproeven om de veiligheid van cosmetica-ingrediënten en de naleving van de "nieuwe aanpak"-methodologie te garanderen. De nodige veiligheidsdata, zowel over de ingrediënten als over de eindproducten, worden nu verzameld met gevalideerde of (of wetenschappelijk geldige) alternatieve methodes.

De in Toxicology gepubliceerde evaluatie is een samenvatting van de conclusies van een door de werkgroep Methodologie van het comité gehouden workshop van februari 2019. Daar werd gesproken over alternatieve testmethodes voor cosmetica-ingrediënten en over de identificatie en toepassing ervan.

De belangrijkste conclusies luidden:

  • In de EU mogen alleen diervrije methodes worden gebruikt om de veiligheid van cosmetische producten te beoordelen.
  • Next Generation Risk Assessment biedt daarvoor een geschikt kader.
  • Next Generation Risk Assessment maakt gebruik van een diervrije "nieuwe aanpak"-methodologie.
  • Die "nieuwe aanpak" is gebaseerd op in-chemico-, in-silico-, in-vitro- en ex-vivo-methodes.

In zijn conclusies verklaarde het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid dat de workshop een actueel overzicht had opgeleverd van geselecteerde "nieuwe aanpak" -methodes en -strategieën voor de veiligheidsbeoordeling van cosmetica-ingrediënten. De tijd is er ook rijp voor, want de veiligheidsbeoordeling van nieuwe cosmetica-ingrediënten zal gebaseerd moeten zijn op nieuwe, niet-dierlijke concepten. Te denken valt aan "Next Generation Risk Assessment" en een "Weight of evidence"-benadering, waarbij concepten van de nieuwe aanpak-methodologie zoals "Threshold of Toxicological Concern", "Internal Threshold of Toxicological Concern" en "Read-across" kunnen worden gecombineerd met oudere data die met dierproeven zijn verkregen. Data van dierproeven die niet voor cosmetische producten hebben plaatsgevonden, mogen in de veiligheidsbeoordeling worden opgenomen, maar sommige bedrijven kiezen ervoor om geen data te gebruiken van dierproeven die na het verbod zijn uitgevoerd.

Er is duidelijk vooruitgang geboekt, maar er is meer nodig om er genoeg vertrouwen in te krijgen dat "Next Generation Risk Assessment" de consument ook tegen nieuwe stoffen beschermt. Er is nog bezorgdheid over het testen op complexere situaties, niet alleen om na te gaan of een bepaald ingrediënt of product niet-irriterend is, maar ook of het veilig en niet-kankerverwekkend is bij herhaaldelijk gebruik over langere periodes in combinatie met andere cosmetische producten. Toch worden er, dankzij de toenemende ervaring, het groeiende aantal casestudy's en de ontwikkeling van praktijkworkflows, ook oplossingen gevonden voor complexere eindpunten.

Er is ook bezorgdheid geuit over het feit dat de methodes van het testrichtsnoerenprogramma van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) slechts voor een beperkte reeks chemische stoffen en niet voor een voldoende grote ruimte van stoffen, bijvoorbeeld nanomaterialen, zijn gevalideerd, wat de veiligheidsbeoordeling van in nanovorm gebruikte cosmetica-ingrediënten bemoeilijkt.

Het concept van de "Next Generation Risk Assessment" kan een interessant platform bieden voor de beoordeling van de veiligheid van cosmetische producten en de ingrediënten daarvan. Tijdens de plenaire vergadering van het WCCV werd aanbevolen om praktijkoplossingen op grotere schaal te delen, bijvoorbeeld door bij praktijkoefeningen en cursussen gebruik te maken van casestudy's. Dit helpt om "al doende te leren" en om praktijkervaring op te doen met nieuwe methoden en benaderingen.

Voorts werd benadrukt dat het ontwikkelingsproces van de "nieuwe aanpak"-methodologieën en de toepassing daarvan op de voet moeten worden gevolgd, bij voorkeur door een multidisciplinaire deskundigengroep. Nauwe interactie tussen de verschillende betrokkenen op dit gebied is essentieel om tot een gemeenschappelijke opvatting van de nieuwe aanpak te komen. Hierdoor kunnen de regelgevers ook feedback geven over hun specifieke behoeften en verwachtingen. De casestudy's van "datarijke" stoffen die op de workshop werden gepresenteerd, waren met name illustratief voor het gevolgde proces. Om beter te kunnen beoordelen in hoeverre deze aanpak nuttig is, is meer gedetailleerde informatie over de casestudy's nodig, zoals een beoordeling van het vertrouwen waarop ze berusten.

Er werd ook voorgesteld dat de cosmetica-industrie de uitdaging proactief opneemt en een volledig dossier samenstelt van een nieuwe stof op basis van het nieuwe concept van de "Next Generation Risk Assessment". Daardoor kunnen potentiële kennishiaten worden opgespoord en kunnen risicobeoordelaars, zowel uit de industrie als van regelgevingszijde, ervaring met het onderwerp opdoen.

Meer informatie

The way forward for assessing the human health safety of cosmetics in the EU - Workshop proceedings

Te verwaarlozen anaerobe biologische afbreekbaarheid van lineaire alkylbenzeensulfonaten in zee- en zoet water kan aanleiding geven tot milieuproblemen

De Europese Commissie heeft haar onafhankelijk Wetenschappelijk Comité voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico’s (SCHEER) verzocht na te gaan of lineaire alkylbenzeensulfonaten in een anaeroob zee- of zoetwatermilieu biologisch afbreekbaar zijn. Lineaire alkylbenzeensulfonaten zijn de meest gebruikte synthetische oppervlakteactieve stoffen ter wereld. Ze omvatten verschillende zouten van gesulfoneerde alkylbenzenen die worden gebruikt voor huishoudelijke schoonmaakmiddelen en diverse industriële toepassingen. Anaerobe biologische afbreekbaarheid is de afbraak van verbindingen door micro-organismen in afwezigheid van zuurstof.

De Europese Commissie heeft dit verzoek om een nieuw wetenschappelijk advies ingediend op grond van recente gegevens, met name een studie van de Universiteit van Cádiz waarin de resultaten van vier experimenten worden beschreven waarbij de anaerobe biologische afbreekbaarheid van lineaire alkylbenzeensulfonaten in verschillende milieuomstandigheden werd getest. Het Wetenschappelijk Comité werd daarbij gevraagd om rekening te houden met de aanvullende verslagen en referenties uit de in de periode 2009-2019 gepubliceerde literatuur die de studie van de Universiteit van Cádiz ondersteunen of tegenspreken.

Na zorgvuldig onderzoek van het materiaal onderschrijft het Comité de conclusie van de studie van de Universiteit van Cádiz dat anaerobe afbraak in zoet water te verwaarlozen is, maar in zeewater onder specifieke omstandigheden wel mogelijk is. Het Comité verklaart dat de experimenten van de universiteit zijn uitgevoerd in overeenstemming met testrichtsnoer 308 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en dat de resultaten van deze experimenten als betrouwbaar moeten worden beschouwd, zij het met enkele beperkingen die verband houden met de statistische analyse en de rapportage van de resultaten.

Het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico’s is daarom van mening dat er bescheiden bewijs is dat:

  • anaerobe afbraak van lineaire alkylbenzeensulfonaten in zeewater alleen mogelijk is onder bijzondere omstandigheden (zoals bij een zanderig sediment en een laag gehalte aan organische koolstof);
  • het potentieel voor anaerobe afbraak van lineaire alkylsulfonaten in zoet water te verwaarlozen is;
  • de omstandigheden waarin enige anaerobe afbraak is waargenomen (zanderige sedimenten met een laag gehalte aan organische koolstof) mogelijk atypisch zijn voor locaties die beïnvloed worden door afvalwater, waar modderige en organische sedimenten vaker voorkomen.

Het Wetenschappelijk Comité is ook van mening dat de afwezigheid van afbraak kan leiden tot een accumulatie van lineaire alkylbenzeensulfonaten in anaerobe sedimenten met een relevant milieuprobleem tot gevolg.

Meer informatie

Definitief advies over de mogelijke anaerobe biologische afbreekbaarheid van lineaire alkylbenzeensulfonaten (LAS) in zee- en zoet water